Liplezen moeilijk?

Ja, liplezen is moeilijk.

Mensen met een goed gehoor hoeven geen moeite te doen om spraak te verstaan. Ze kunnen met drie andere dingen bezig zijn en toch volgen wat een ander zegt. Die ander echt begrijpen is natuurlijk een tweede, daarvoor is meer nodig dan alleen een goed gehoor ! Voor de liplezer is het aflezen van spraak echter altijd een kwestie van heel aandachtig, heel gericht, heel veel informatie verwerken: de situatie, de taal, de spreker, het gespreksonderwerp, het mondbeeld. Liplezen vraagt 100% aandacht en is erg vermoeiend.

Er zijn (minstens!) vier redenen waarom liplezen zoveel moeilijker is dan het verstaan van spraak via het gehoor.

1

Allereerst: een spreker maakt – bij het Nederlands – gebruik van zo’n 50 verschillende spraakklanken (fonemen). Bij het lezen en schrijven gebruiken we een alfabet van 27 letters. De liplezer moet zich echter behelpen met niet meer dan 6 verschillende mondbeelden (visemen)! Klanken die via het gehoor heel anders klinken en die bij het schrijven een eigen letter hebben, zien er op de mond precies hetzelfde uit. Het ‘alfabet’ van de liplezer bestaat uit slechts 3 klinkers en 3 medeklinkers. De klinkers zijn de ‘rond’, ‘breed’, en ‘neutraal’. De medeklinkers zijn: ‘lippen op elkaar’, ‘boventanden op onderlip’, ‘tanden op elkaar’ en een grote groep ‘onzichtbaar’.

Voor de liplezer lijken heel veel woorden daarom op elkaar. “Groen” en “rood”: twee woorden die verschillend klinken, die we verschillend schrijven en die ieder een eigen betekenis hebben. Maar de liplezer ziet twee keer hetzelfde mondbeeld: onzichtbaar – rond – onzichtbaar.

2

Daar komt nog een probleem bij: klanken beïnvloeden elkaar.De ‘uu’ in ‘luw’ klinkt anders en ziet er ook anders uit, als de ‘uu’ in ‘buurman’. De ‘v’ in ‘afval’ is bij een duidelijke spreker misschien nog hoorbaar, maar de liplezer ziet de ‘v’ niet, die ziet: ‘afal’. Maar omdat zoveel mondbeelden op elkaar lijken, kan dat ook

Optimistische rekenaars zeggen dat de liplezer 30% van de uitgesproken klanken werkelijk kan zien, en de overige 70% moet raden. In de dagelijkse praktijk ziet de liplezer echter meestal (veel) minder dan 30% van wat iemand met een goed gehoor zonder enige inspanning via de oren kan waarnemen.

3

Ten derde: iedere spreker heeft een eigen stem-geluid, een eigen articulatie. Toch klinkt een woord dat door verschillende sprekers wordt uitgesproken, hetzelfde. Iemand die goed kan horen, hoort dwars door alle stemverschillen heen, steeds dat ene woord. Iedere spreker heeft ook een eigen mondbeeld: de vorm van de mond en de lippen, de stand van de kaken en de tanden, en de manier waarop lippen, kaken en tong worden bewogen. Iemand die goed kan horen, merkt die verschillen tussen sprekers niet of nauwelijks. Maar de liplezer kijkt zó aandachtig naar het gezicht en de mond van de spreker, dat dergelijke verschillen tussen sprekers daardoor – zeker in het begin – juist wél erg opvallen. De één spreekt duidelijk, de ander beweegt zijn mond nauwelijks. De ene spreker heeft opvallend dikke, dunne, rode, scheve lippen, de ander een tong die wel of niet zichtbaar of vreemd scheef is, tanden die wel of niet zichtbaar, recht, wit zijn. Kortom: de liplezer ziet allerlei details en kan daardoor zo afgeleid worden, dat er geen enkel woord meer wordt herkend.

U zult moeten leren om bij het liplezen dwars door die verschillen in mondbeelden heen te kijken en tóch de woorden en zinnen te herkennen die de spreker zegt. Dat vraagt tijd, iedere keer weer. Bij iedere nieuwe gesprekspartner moet u eraan wennen om dwars door onbelangrijke details heen te kijken en alleen die verschillen te zien die wél belangrijk zijn voor het herkennen van woorden en zinnen.

4

Ten vierde: wanneer u leest, ziet u aan de spaties waar het ene woord eindigt en een nieuw woord begint. U ziet aan de komma’s en punten, waar een nieuwe woordgroep of zin begint. Alsallewoordenaanelkaargeschrevenzijnislezenineenseenstukmoeilijker.

Bij het luisteren kunnen zelfs goedhorende mensen niet horen waar het ene woord eindigt en het volgende begint: er vallen geen pauzes tussen woorden en zinnen. Toch weten goedhorende mensen dankzij het zinsritme en de intonatie precies, welke woorden bij elkaar horen en wanneer er een nieuwe zin begint. Dat wil zeggen: dat kunnen ze als ze naar een bekende taal luisteren. Bij een onbekende taal horen ook goedhorende luisteraars één lange stroom klanken, zonder structuur.

Maar de liplezer ziet ook bij een bekende taal geen pauzes, geen punten en komma’s, en geen intonatie. De liplezer ziet één lange stroom mondbeelden, zonder begin of eind. Dat maakt het herkennen van woorden en het begrijpen van zinnen heel moeilijk. Bovendien werkt het oog anders dan het oor. Het oor van de goedhorende luisteraar is gespecialiseerd in de verwerking van kleine klankverschillen en verwerkt lange reeksen klanken precies in de goede volgorde. Het oog is minder snel dan het oor en minder goed in het verwerken van reeksen. De luisteraar hoort woorden in zinsverband, de liplezer ziet een beeldenbrij.