Door Eveline Hendriksen (In: Algemeen Dagblad, Diagnose, 3 maart 2000)
Nel
Pijfers is 76 jaar en ontdekte vijf jaar geleden voor het eerst dat ze problemen
had met haar smaak. ‘Het was het seizoen van de nieuwe haring en terwijl ik er
één stond weg te happen, kwam ik tot de conclusie dat-ie me eigenlijk helemaal
niet smaakte. En dan begin je terug te denken: de laatste tijd proefden jam en
brood ook al zo raar.’ Op aanraden van haar zoon ging Pijfers naar de
tandarts. Misschien waren het haar amalgaamvullingen die de smaak verstoorden?
De vullingen werden direct verwijderd. Maar Pijfers hield problemen met haar
smaak. Via de tandarts kwam ze bij een neuroloog, een KNO-arts en een
reumatoloog terecht.
Iedereen
zocht en niemand vond. Pijfers: ‘Aanvankelijk dacht men dat ik het syndroom
van Sjögren had, een aan reuma verwante ziekte. Mensen met dit syndroom hebben
pijn in de gewrichten en maken te weinig speeksel aan, wat ook problemen geeft
bij het proeven. Nu had ik inderdaad een droge mond, maar van mijn gewrichten
had ik geen last. Sjögren bleek het dan ook niet te zijn.’
Vijf
jaar en talloze artsen en natuurgenezers later weet Pijfers nog steeds niet wat
haar mankeert. ‘Ik proef alleen nog zout en zuur,’ vertelt ze, terwijl ze
rustig een kopje koffie inschenkt. ‘Een beker koffie smaakt voor mij als een
bak warm zout water. Een koekje durf ik er niet eens bij te nemen. Dat smaakt
ronduit smerig.’
Hoewel
de mens veel verschillende smaken kan onderscheiden, zijn er waarschijnlijk maar
vier soorten smaakpapillen, die ieder gespecialiseerd zijn in een bepaalde
smaak: zout, zuur, zoet en bitter. De verschillende papillen zijn niet
gelijkmatig over de tong verdeeld: de smaakpapillen voor bitter bevinden zich
achter op de tong, die voor zuur vooral aan de linker- en rechterzijde. De
smaakpapillen die zoet waarnemen, zijn voornamelijk op de punt van de tong
gesitueerd.
De
papillen geven informatie door aan het smaakcentrum in de hersenen en vernieuwen
zich iedere zeven tot tien dagen. Als de tong beschadigd raakt, bijvoorbeeld
door te heet eten of drinken, dan duurt de smaakstoornis niet langer dan een
week. De tijd die nodig is voor vervanging van beschadigde papillen door een
nieuwe generatie. Bij mensen met een smaakstoornis werkt dit systeem niet naar
behoren.
Jan
Kroeze is hoogleraar psychonomie aan de universiteit van Utrecht en
gespecialiseerd in smaak en smaakstoornissen. Wanneer mensen zich bij hem melden
met klachten, probeert hij te achterhalen welke smaken zij nog wel proeven.
‘Ik gebruik daarvoor de vier basissmaken,’ legt hij uit. ‘Citroen,
keukenzout, kinine en suiker. We doen tests met verschillende oplossingen. De
zwakste oplossing proeft niemand, de sterkste iedereen. Zo kan ik bepalen waar
de smaakgrens van een patiënt ligt.’ Ook wordt gecontroleerd of de
smaakstoornis misschien met het reukvermogen te maken heeft. Kroeze: ‘Geur
geeft ook een smaakillusie. Soms denken patiënten dat ze niets meer proeven,
maar hebben ze eigenlijk problemen met hun reuk.’
Met
het reukvermogen van Nel Pijfers is niets mis. ‘Als ik een pak versgemalen
koffie opendoe, dan ruik ik de heerlijke geur. Soms proef ik ook wel eens iets
via mijn neus.’ Kroeze bestempelt dit fenomeen als de retronasale geur: de
geur door de mond. Kroeze: ‘Geur en smaak fuseren dan als het ware. En je
‘proeft’ dus via de neus.’
Nadat
Kroeze de smaak van mensen precies heeft bepaald, is zijn rol meestal
uitgespeeld. Over de oorzaken van smaakstoornissen is bijzonder weinig bekend en
er zijn nauwelijks medicijnen voor handen. Kroeze: ‘Mensen die ouder worden,
verliezen langzaam hun reuk en smaak. Dat is een normaal proces. Stevige rokers
raken hun smaak gemiddeld tien jaar eerder kwijt dan niet-rokers, en mannen
verliezen hun smaakvermogen sneller dan vrouwen.’ Chemotherapie of bestraling
van het hoofd/hals-gebied kunnen eveneens van invloed zijn op de smaak. Bij een
zware chemokuur sterven de papillen op de tong af. Kankerpatiënten krijgen dan
een gladde, onnatuurlijke tong. Soms keert het vermogen om te proeven weer
terug, wanneer de papillen zich herstellen. Een enkele keer blijft de smaak
verstoord, of maakt de mond te weinig speeksel aan, waardoor het proeven
bemoeilijkt wordt. Kroeze: ‘Ik kan de verstoring in de smaak exact
vaststellen, maar ik kan er weinig aan veranderen. Voor mensen met weinig
speeksel is er zogenaamd kunstspeeksel verkrijgbaar. Overige groepen patiënten
moeten leren leven met hun smaakstoornis. Ik kan ze vaak alleen aanraden hun
maaltijden sterker te kruiden. Soms proeven ze dan nog wel iets.’
Het
frustreert Kroeze dat hij regelmatig patiënten onverrichter zake naar huis moet
sturen. ‘KNO- en tandartsen vinden reuk- en smaakstoornissen niet ernstig
genoeg om er uitgebreid onderzoek naar te doen,’ zegt hij fel. ‘Maar als
psycholoog kan ik vertellen dat een verstoorde smaak veel invloed heeft op het
levensgenot van mensen. Zonder smaak wordt eten gewoon een opdracht en je ziet
dan ook regelmatig dat mensen met een smaakstoornis enorm afvallen.’
Pijfers
kan daarover meepraten. In de vijf jaar dat ze met haar smaak tobt, verloor ze
vijfentwintig kilo. ‘Uit eten gaan is eigenlijk weggegooid geld, al doe ik het
wel eens voor mijn man,’ vertelt ze. ‘Dan neem ik zelf vis, dat is heel
zacht.’ Ze kookt nog wel, maar moet daarbij een kookboek gebruiken, of haar
echtgenoot tijdens het bereiden van de maaltijd laten proeven. Pijfers:
‘Mensen zeggen wel eens dat ik blij moet zijn dat ik verder gezond ben.
Natuurlijk ben ik daar gelukkig mee! Mijn energie lijdt ook niet onder mijn
smaakstoornis. Maar genieten van eten is belangrijker dan je denkt. Wanneer
iemand vertelt dat de kerstdagen zo gezellig waren, dan heeft hij het meestal
over de gezamenlijke diners, het heerlijke eten. En als je op vakantie gaat, dan
blijft het buitenlandse eten je het beste bij. Bij rugklachten of
slechtziendheid kunnen je kennissen of buren zich iets voorstellen. Bij een
smaakstoornis niet. Dat is ongrijpbaar.’
Voorlopig
is er geen oplossing in zicht. De teleurstelling is van het gezicht van Pijfers
af te lezen. ‘Bij iedere arts die je bezoekt, heb je weer nieuwe hoop. Maar er
is nog geen pil of druppel geweest, die ook maar iets aan mijn smaak heeft
verbeterd.’ Haar dochter heeft inmiddels een website over smaak en
smaakstoornissen opgezet, in de hoop zo met andere patiënten in contact te
komen en nieuw onderzoek te stimuleren.
Op
die website wordt ook het Centrum voor Smaakonderzoek in Wageningen genoemd. Bob
Cramwinckel is directeur van het Centrum en houdt zich vooral bezig met de
smaakkwaliteit van producten. Toch wordt hij ook regelmatig gebeld door mensen
met een smaakstoornis. In zijn opinie heeft smaak vooral met associatie en
verbeeldingskracht te maken. Cramwinckel: ‘We associëren het eten van
groenten met gezondheid en om die reden vinden we het lekker. Kinderen
interesseert het niet dat de consumptie van groenten de kans op kanker
vermindert. Die willen liever een snoepje van mamma. Smaak heeft dus alles met
opvattingen en ideeën te maken.’ Hij noemt een ander voorbeeld van een groep
kinderen die chemotherapie moest ondergaan. Voor de behandeling werden ze door
het ziekenhuis nog even verwend met ijs en slagroom. ‘Ze hebben daarna nooit
meer kunnen genieten van die dingen,’ aldus Cramwinckel. ‘Slagroom en ijs
waren voor altijd verbonden met de ellende van de chemokuur.’
In
overeenstemming met zijn idee dat smaak vooral uit associatie bestaat, gelooft
Cramwinckel dat het vermogen tot proeven te trainen is. ‘Wanneer je iedere
morgen, als je nog fris bent, aan een pak verse koffie ruikt en je probeert je
te herinneren hoe die koffie zou moeten smaken, dan kan ik me goed voorstellen
dat de smaak langzaam weer terugkomt. Maar ik heb dat nog nooit klinisch
getest.’
Nel
Pijfers herinnert zich de smaak van koffie nog precies. Maar proeven doet ze
niet. Ze zucht. ‘In Amerika wordt iets meer onderzoek verricht op het gebied
van smaakstoornissen. Als ik zou denken dat ze me daar konden helpen, zou ik
morgen nog op het vliegtuig stappen. Om weer te kunnen genieten van kroketten,
of kersenbonbons’ Ze haalt haar schouders op en moet even slikken. ‘Ik zou
er wat voor geven om weer warme chocolademelk te kunnen proeven. Met een beetje
slagroom.’
Eveline
Hendriksen