Smaakverlies als stoornis

Door Eveline Hendriksen (In: Algemeen Dagblad, Diagnose, 3 maart 2000)


Een zure appel, zoete broodjes, een bittere pil. Smaak speelt een belangrijke rol in een mensenleven. Het is daarom opvallend dat smaakverlies, als stoornis of als chronische ziekte, in de Nederlandse gezondheidszorg nauwelijks bekend is. Toch geeft Amerikaans onderzoek aan dat zo’n zeven procent van de bevolking lijdt aan een stoornis van de smaak. Vaak is er sprake van een onaangename smaak of een onplezierig gevoel in de mond. Soms gaat het om een branderig gevoel of zelfs uitgesproken pijn in de mondholte. Zo’n stoornis kan van tijdelijke aard zijn, bijvoorbeeld ten gevolge van bepaalde medicijnen. Maar er zijn ook mensen bij wie deze problemen langer duren en soms zelfs blijvend lijken.

Nel Pijfers is 76 jaar en ontdekte vijf jaar geleden voor het eerst dat ze problemen had met haar smaak. ‘Het was het seizoen van de nieuwe haring en terwijl ik er één stond weg te happen, kwam ik tot de conclusie dat-ie me eigenlijk helemaal niet smaakte. En dan begin je terug te denken: de laatste tijd proefden jam en brood ook al zo raar.’ Op aanraden van haar zoon ging Pijfers naar de tandarts. Misschien waren het haar amalgaamvullingen die de smaak verstoorden? De vullingen werden direct verwijderd. Maar Pijfers hield problemen met haar smaak. Via de tandarts kwam ze bij een neuroloog, een KNO-arts en een reumatoloog terecht.

Iedereen zocht en niemand vond. Pijfers: ‘Aanvankelijk dacht men dat ik het syndroom van Sjögren had, een aan reuma verwante ziekte. Mensen met dit syndroom hebben pijn in de gewrichten en maken te weinig speeksel aan, wat ook problemen geeft bij het proeven. Nu had ik inderdaad een droge mond, maar van mijn gewrichten had ik geen last. Sjögren bleek het dan ook niet te zijn.’

Vijf jaar en talloze artsen en natuurgenezers later weet Pijfers nog steeds niet wat haar mankeert. ‘Ik proef alleen nog zout en zuur,’ vertelt ze, terwijl ze rustig een kopje koffie inschenkt. ‘Een beker koffie smaakt voor mij als een bak warm zout water. Een koekje durf ik er niet eens bij te nemen. Dat smaakt ronduit smerig.’

Hoewel de mens veel verschillende smaken kan onderscheiden, zijn er waarschijnlijk maar vier soorten smaakpapillen, die ieder gespecialiseerd zijn in een bepaalde smaak: zout, zuur, zoet en bitter. De verschillende papillen zijn niet gelijkmatig over de tong verdeeld: de smaakpapillen voor bitter bevinden zich achter op de tong, die voor zuur vooral aan de linker- en rechterzijde. De smaakpapillen die zoet waarnemen, zijn voornamelijk op de punt van de tong gesitueerd.

De papillen geven informatie door aan het smaakcentrum in de hersenen en vernieuwen zich iedere zeven tot tien dagen. Als de tong beschadigd raakt, bijvoorbeeld door te heet eten of drinken, dan duurt de smaakstoornis niet langer dan een week. De tijd die nodig is voor vervanging van beschadigde papillen door een nieuwe generatie. Bij mensen met een smaakstoornis werkt dit systeem niet naar behoren.

Jan Kroeze is hoogleraar psychonomie aan de universiteit van Utrecht en gespecialiseerd in smaak en smaakstoornissen. Wanneer mensen zich bij hem melden met klachten, probeert hij te achterhalen welke smaken zij nog wel proeven. ‘Ik gebruik daarvoor de vier basissmaken,’ legt hij uit. ‘Citroen, keukenzout, kinine en suiker. We doen tests met verschillende oplossingen. De zwakste oplossing proeft niemand, de sterkste iedereen. Zo kan ik bepalen waar de smaakgrens van een patiënt ligt.’ Ook wordt gecontroleerd of de smaakstoornis misschien met het reukvermogen te maken heeft. Kroeze: ‘Geur geeft ook een smaakillusie. Soms denken patiënten dat ze niets meer proeven, maar hebben ze eigenlijk problemen met hun reuk.’

Met het reukvermogen van Nel Pijfers is niets mis. ‘Als ik een pak versgemalen koffie opendoe, dan ruik ik de heerlijke geur. Soms proef ik ook wel eens iets via mijn neus.’ Kroeze bestempelt dit fenomeen als de retronasale geur: de geur door de mond. Kroeze: ‘Geur en smaak fuseren dan als het ware. En je ‘proeft’ dus via de neus.’

Nadat Kroeze de smaak van mensen precies heeft bepaald, is zijn rol meestal uitgespeeld. Over de oorzaken van smaakstoornissen is bijzonder weinig bekend en er zijn nauwelijks medicijnen voor handen. Kroeze: ‘Mensen die ouder worden, verliezen langzaam hun reuk en smaak. Dat is een normaal proces. Stevige rokers raken hun smaak gemiddeld tien jaar eerder kwijt dan niet-rokers, en mannen verliezen hun smaakvermogen sneller dan vrouwen.’ Chemotherapie of bestraling van het hoofd/hals-gebied kunnen eveneens van invloed zijn op de smaak. Bij een zware chemokuur sterven de papillen op de tong af. Kankerpatiënten krijgen dan een gladde, onnatuurlijke tong. Soms keert het vermogen om te proeven weer terug, wanneer de papillen zich herstellen. Een enkele keer blijft de smaak verstoord, of maakt de mond te weinig speeksel aan, waardoor het proeven bemoeilijkt wordt. Kroeze: ‘Ik kan de verstoring in de smaak exact vaststellen, maar ik kan er weinig aan veranderen. Voor mensen met weinig speeksel is er zogenaamd kunstspeeksel verkrijgbaar. Overige groepen patiënten moeten leren leven met hun smaakstoornis. Ik kan ze vaak alleen aanraden hun maaltijden sterker te kruiden. Soms proeven ze dan nog wel iets.’

Het frustreert Kroeze dat hij regelmatig patiënten onverrichter zake naar huis moet sturen. ‘KNO- en tandartsen vinden reuk- en smaakstoornissen niet ernstig genoeg om er uitgebreid onderzoek naar te doen,’ zegt hij fel. ‘Maar als psycholoog kan ik vertellen dat een verstoorde smaak veel invloed heeft op het levensgenot van mensen. Zonder smaak wordt eten gewoon een opdracht en je ziet dan ook regelmatig dat mensen met een smaakstoornis enorm afvallen.’

Pijfers kan daarover meepraten. In de vijf jaar dat ze met haar smaak tobt, verloor ze vijfentwintig kilo. ‘Uit eten gaan is eigenlijk weggegooid geld, al doe ik het wel eens voor mijn man,’ vertelt ze. ‘Dan neem ik zelf vis, dat is heel zacht.’ Ze kookt nog wel, maar moet daarbij een kookboek gebruiken, of haar echtgenoot tijdens het bereiden van de maaltijd laten proeven. Pijfers: ‘Mensen zeggen wel eens dat ik blij moet zijn dat ik verder gezond ben. Natuurlijk ben ik daar gelukkig mee! Mijn energie lijdt ook niet onder mijn smaakstoornis. Maar genieten van eten is belangrijker dan je denkt. Wanneer iemand vertelt dat de kerstdagen zo gezellig waren, dan heeft hij het meestal over de gezamenlijke diners, het heerlijke eten. En als je op vakantie gaat, dan blijft het buitenlandse eten je het beste bij. Bij rugklachten of slechtziendheid kunnen je kennissen of buren zich iets voorstellen. Bij een smaakstoornis niet. Dat is ongrijpbaar.’

Voorlopig is er geen oplossing in zicht. De teleurstelling is van het gezicht van Pijfers af te lezen. ‘Bij iedere arts die je bezoekt, heb je weer nieuwe hoop. Maar er is nog geen pil of druppel geweest, die ook maar iets aan mijn smaak heeft verbeterd.’ Haar dochter heeft inmiddels een website over smaak en smaakstoornissen opgezet, in de hoop zo met andere patiënten in contact te komen en nieuw onderzoek te stimuleren.

Op die website wordt ook het Centrum voor Smaakonderzoek in Wageningen genoemd. Bob Cramwinckel is directeur van het Centrum en houdt zich vooral bezig met de smaakkwaliteit van producten. Toch wordt hij ook regelmatig gebeld door mensen met een smaakstoornis. In zijn opinie heeft smaak vooral met associatie en verbeeldingskracht te maken. Cramwinckel: ‘We associëren het eten van groenten met gezondheid en om die reden vinden we het lekker. Kinderen interesseert het niet dat de consumptie van groenten de kans op kanker vermindert. Die willen liever een snoepje van mamma. Smaak heeft dus alles met opvattingen en ideeën te maken.’ Hij noemt een ander voorbeeld van een groep kinderen die chemotherapie moest ondergaan. Voor de behandeling werden ze door het ziekenhuis nog even verwend met ijs en slagroom. ‘Ze hebben daarna nooit meer kunnen genieten van die dingen,’ aldus Cramwinckel. ‘Slagroom en ijs waren voor altijd verbonden met de ellende van de chemokuur.’

In overeenstemming met zijn idee dat smaak vooral uit associatie bestaat, gelooft Cramwinckel dat het vermogen tot proeven te trainen is. ‘Wanneer je iedere morgen, als je nog fris bent, aan een pak verse koffie ruikt en je probeert je te herinneren hoe die koffie zou moeten smaken, dan kan ik me goed voorstellen dat de smaak langzaam weer terugkomt. Maar ik heb dat nog nooit klinisch getest.’

Nel Pijfers herinnert zich de smaak van koffie nog precies. Maar proeven doet ze niet. Ze zucht. ‘In Amerika wordt iets meer onderzoek verricht op het gebied van smaakstoornissen. Als ik zou denken dat ze me daar konden helpen, zou ik morgen nog op het vliegtuig stappen. Om weer te kunnen genieten van kroketten, of kersenbonbons’ Ze haalt haar schouders op en moet even slikken. ‘Ik zou er wat voor geven om weer warme chocolademelk te kunnen proeven. Met een beetje slagroom.’

Eveline Hendriksen